Alle aandacht voor het juiste tarief

Indeling van goederen in het juiste douanetarief is belangrijk maar niet altijd makkelijk, weten de specialisten van het Landelijk Team Bindende Tariefinlichtingen.

Wanneer je als bedrijf goederen im- of exporteert, is het handig om een Bindende Tariefinlichting (BTI) te regelen. Daarmee voorkom je dat een verkeerde goederencode wordt gebruikt, en de Douane bij invoer mogelijk te veel of te weinig douanerechten heft. Wie zo’n BTI wil aanvragen, krijgt vanzelf te maken met het gelijknamige landelijke team van de Douane.

Iedereen die over een EORI-nummer beschikt kan om een BTI verzoeken. “Zo’n beschikking biedt de houder ervan voor een bepaalde periode rechtszekerheid voor wat betreft de indeling van goederen in het douanetarief”, vertelt Ed Tulp, lid van het landelijke team. “Wij geven een BTI af voor drie jaar. Vóór de huidige wetgeving, die op 1 mei 2016 van kracht werd, was dat nog zes jaar. Die termijn is teruggebracht, omdat het destijds bij de meeste BTI-aanvragen om elektronica ging. En de omloopsnelheid van dat soort producten is steeds groter geworden. Een artikel dat vandaag wordt gelanceerd, is overmorgen alweer achterhaald.”

“Datzelfde zie je bij andere productgroepen, zoals voedingssupplementen”, vult Tulps collega Renée Alderliesten aan. “Fabrikanten passen de samenstelling daarvan regelmatig aan. Zo wordt men steeds voorzichtiger met het toevoegen van suiker.”

Geneesmiddel of voedingssupplement?
Sinds 1 oktober vorig jaar dient een BTI elektronisch te worden aangevraagd. Op het (digitale) aanvraagformulier moet onder meer worden aangegeven om wat voor soort transactie het gaat (in- of uitvoer bijvoorbeeld), en onder welke code de goederen – naar verwachting – zullen worden ingedeeld. Na de formele aanvaarding van zo’n verzoek, heeft de Douane 120 dagen om een BTI af te geven. Wanneer het nodig is een product nader te onderzoeken, kan een en ander iets langer duren. Alderliesten: “Bij een aanvraag voor een voedingssupplement bijvoorbeeld, sturen we het product altijd voor analyse naar het Douanelaboratorium. Hoeveel glucose, zetmeel, en sacharose zit erin? Het antwoord op die vraag bepaalt tenslotte mede de indeling, en of eventuele aanvullende douanerechten moeten worden afgedragen. En als een product voor de Nederlandse Geneesmiddelenwet is aan te merken als medicijn, hoeven helemaal geen rechten te worden betaald. Maar dan moet het product wel weer voldoen aan de bepalingen van deze specifieke wetgeving.”

Tijdig en zo compleet mogelijk
Bij het vaststellen van het juiste tarief helpt het als de BTI-aanvraag zo compleet mogelijk is, vervolgt Alderliesten. “We zien graag dat een bedrijf brochures, versiebeschrijvingen of monsters meestuurt. Alles helpt ons om een oordeel te vormen. Als we informatie niet krijgen aangereikt, nemen we soms ook bijvoorbeeld foto’s van de website van de fabrikant over.”

Het is ook raadzaam om een BTI-aanvraag in een zo vroeg mogelijk stadium in te dienen, zegt Tulp. “Stel dat je in China een product hebt gevonden dat het volgens jou straks helemaal gaat maken. Dan is het slim om meteen na je bezoek aan dat land een monster mee te nemen – dus nog voordat je een contract hebt getekend, gaat produceren of iemand hebt gevonden die het voor je gaat verschepen. Want als je pas gaat nadenken over douanerechten als de eerste zending in Rotterdam op de kade staat, kun je niet verwachten dat een BTI op basis van jouw aanvraag direct zal kunnen worden afgegeven. Sowieso is het aan te bevelen om van tevoren na te gaan wat een product je aan invoerrechten gaat kosten. De Douane werkt met controles achteraf. Als je géén BTI aanvraagt, kan het zomaar zijn dat na drie jaar blijkt dat je bijvoorbeeld geen nul procent maar 5 procent douanerechten had moeten afdragen. Dat kan dan behoorlijk in de papieren lopen. Want met terugwerkende kracht een BTI aanvragen is er niet bij…”

Openbaar versus vertrouwelijk
Alle afgegeven BTI’s worden opgenomen in een database van de Europese Commissie, die alleen is te raadplegen door de douaneautoriteiten van alle EU-lidstaten. Daarnaast biedt de website van de Europese Commissie toegang tot een openbare database met informatie over alle afgegeven, nog geldige BTI’s. Bedrijven kunnen daarin op sleutelwoord of omschrijving opzoeken of er al eens een BTI is verleend voor hun product – of vergelijkbare handelswaar – en informatie vinden over onder meer de geldigheidstermijn daarvan. “Deze database bevat uit concurrentie- en privacyoverwegingen echter geen namen of andere gevoelige informatie”, stelt Tulp. “Een indiener kan bij zijn BTI-aanvraag ook aangeven welke gegevens hij als vertrouwelijk beschouwt, en daarom niet op het internet vermeld wil zien. De informatie in de database biedt daarmee dus vooral een referentiekader. Bij de rechter wil een belanghebbende die bezwaar maakt tegen een bepaald tarief nog wel eens verwijzen naar BTI’s die zijn afgegeven voor soortgelijke producten. Maar die rechter kijkt uitsluitend of wij indelen volgens de juiste, wettelijk voorgeschreven wijze. De houder is de enige die rechtszekerheid kan ontlenen aan een BTI.”

Het vliegt en het is een…
In alle 27 lidstaten worden BTI’s afgegeven. Daarmee lijkt de vraag gerechtvaardigd of alle neuzen binnen de EU dezelfde kant op staan. “We zijn één Douane-unie, en dus mag het niet uitmaken of je een product in Antwerpen of Amsterdam invoert. En toch is de werkelijkheid soms wat weerbarstiger”, erkent Tulp. “Neem de drone. Toen die populair werd, zagen we dat de ene douanedienst het product indeelde als een vliegend voorwerp, de andere als een vliegende camera, en weer een volgende als een stuk speelgoed. De betrokken lidstaten bespreken in zulke gevallen samen of ze alsnog met betrekking tot de indeling tot overeenstemming kunnen komen. Soms houden de verschillen partijen echter voet bij stuk. Dan verschijnt de indeling van het product als agendapunt op een vergadering van het comité Douanewetboek in Brussel. Uiteindelijk vloeit daar een wettelijke of niet-wettelijke maatregel uit voort.”

Er mogen geen BTI’s worden afgegeven die inhoudelijk tegenstrijdig zijn met eerder verleende BTI’s, legt Alderliesten uit. “Dus heeft een buitenlandse collega een bepaald type drone al eens ingedeeld als ‘vliegende camera’, dan kan ik ditzelfde product niet alsnog indelen bij ‘speelgoed’. En wil een Nederlands bedrijf deze drone ook gaan importeren, dan kunnen wij, zolang de discussie in Brussel nog loopt, geen BTI afgeven. Welk tarief dan het beste kan worden aangehouden bij invoer? Wil je geen risico lopen, geef een item dan aan volgens de meest belaste post. Mocht het uitdraaien op een lagere belasting, dan kun je teruggaaf krijgen. Andersom kun je extra aangeslagen worden, als je voor een te laag tarief kiest. Voor bedrijven zijn dit natuurlijk lastige overwegingen. Als je voor 5 procent kiest en je concurrenten geven het tegen nul procent aan, dan zullen klanten de drone misschien bij hen kopen. Onze ervaring is dat veel marktpartijen het helemaal niet erg vinden om een paar procent invoerrechten te betalen. Als iedereen – lees: ook de concurrentie – dat maar doet.”

Rechtszekerheid staat voorop
Wat betekent dit alles voor de houder van een BTI? Tulp: “Als de conclusie is dat we een BTI hebben afgegeven met een onjuiste goederencode en vaststaat dat de goederen onder een andere goederencode moeten worden ingedeeld – bijvoorbeeld na een Brussels besluit of in overleg met collega-lidstaten – dan moeten we de belanghebbende daarvan op de hoogte stellen. Totdat zo’n besluit valt, heeft die belanghebbende gewoon rechtszekerheid. We komen niet met een naheffing aanzetten. Sterker nog: stel dat wij een BTI willen intrekken, en een ondernemer kan aantonen dat hij op basis van diezelfde BTI inkoopcontracten is aangegaan. Dan kan hij de goederencode die in de BTI is vermeld – afhankelijk van de situatie – tot maximaal een halfjaar na aangifte blijven gebruiken. Dit is bedoeld om te voorkomen dat bedrijven worden benadeeld door omstandigheden waarover zij geen controle hebben.”

Jarenlange rechtsgang
Los van eventuele verschillen in interpretatie binnen de EU, zijn er bedrijven die niet tevreden zijn met de BTI die hen is toebedeeld. Alderliesten: “Ben je het niet eens met onze beslissing, dan kun je binnen zes weken bezwaar aantekenen. Daar moet dan binnen een bepaalde termijn een uitspraak over volgen. Vervolgens heb je de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de Douanekamer van de rechtbank Noord-Holland. Hierna kun je nog in beroep bij het gerechtshof Amsterdam. Als je het ook met hun uitspraak niet eens bent, kun je in cassatie bij de Hoge Raad. Uiteindelijk kan een dergelijk geschil belanden bij het hof van justitie in Luxemburg. Als het even tegenzit, ben je er 3 à 4 jaar mee zoet.”

“Uiteindelijk kan zo’n lange rechtsgang gevolgen hebben voor een BTI die wij jaren geleden hebben afgegeven. Stel dat wij dit jaar nog horen dat een BTI uit 2015 nietig moet worden verklaard. Omdat deze bij afgifte zes jaar geldig was, loopt hij dus nog. In dat geval moeten we ’m ongeldig maken met de datum van afgifte. Voor de klant betekent het dat hij geld kan terugvragen.”
Is dat niet jammer voor de schatkist? Nee, zegt Tulp stellig. “Ons maakt het niet uit in welke tariefgroep een product valt. Er wordt ons soms verweten dat we altijd voor het hoogste tarief gaan, maar dat is niet waar. Wij staan voor een juiste indeling en een correcte heffing.”

Landelijke teams in de schijnwerpers
Douane Nederland telt verschillende landelijke teams en units, die zich stuk voor stuk toeleggen op specifieke taken en zeer specialistische expertise in huis hebben. Als kennis- en adviescentra ondersteunen ze de douaneregio’s, en vaak ook (direct of indirect) douaneklanten. Sommige van deze organisatieonderdelen (zoals de Centrale Dienst In- en Uitvoer, de Centrale Unit Accijnzen en de Nationale Helpdesk Douane) kwamen al eens of meermaals aan bod in Douane inZicht, andere kregen tot nu toe minder aandacht. Van die laatste groep belichten we er in dit nummer vijf: onze landelijke teams die zich bezighouden met respectievelijk waarde, tariefindeling, oorsprong, zuivering en zekerheid.

Deel dit bericht